Skip to content
Jesaja 55 1-5, 10-13; Mattheus 13: 1-9, Gelijkenis van de zaaier. Wassenaar, 26 juli 2026

Lieve mensen,

Het zijn hoopvolle beelden die ons geschetst worden in de lezingen van vanmorgen. Jesaja nodigt ons uit: Kom er maar bij, hier is water. Heb je honger, kom maar hier, hier is gratis voedsel. Hij snapt wel dat mensen met droge monden en lege magen niet kunnen luisteren.  Zij zijn maar met een ding bezig: hoe kom ik aan water en brood voor de volgende dag. Jesaja deelt ruimhartig uit. Kom maar hier en na een overvloedig maal, kun je luisteren. ‘Luister dan, open je oren voor wat ik jullie namens God te vertellen heb. Luister en vertel het verder, aan je broer, aan je kind of aan je buurvrouw, aan ieder die het horen wil.’

Vele jaren later was er weer iemand die de mensen eten gaf en verhalen vertelde. Jezus sprak met behulp van beelden die weliswaar zo bekend zijn dat je geneigd bent te denken: ach, dat weet ik wel. En toch is het de moeite waard om er goed naar te kijken. Met zo’n omgekeerde blik, als in het gedicht van de monnik uit coronatijd. Er is veel ellende om je heen en je kan het ook zien als een kans om verder te gaan. Het gedicht, of liever gebed, is een bemoediging, een oproep haast, om kracht te putten in een moeilijke situatie.

Er zijn in de loop der eeuwen allerlei manieren geweest om de gelijkenis van de zaaier uit te leggen. Soms wordt de gelijkenis uitgelegd als een allegorie, dan weer wordt de blik gericht op een aspect, bijvoorbeeld de diverse soorten aarde waarin gezaaid wordt. Het uitgangspunt is dat alle gelijkenissen in dit hoofdstuk, het zijn er zeven, verwijzen naar het Koninkrijk van God. Jezus maakte gebruik van gelijkenissen om de hoorder te prikkelen en op te roepen hem vragen te stellen. Mattheus plaatst het optreden van Jezus bewust in de lijn van de grote profeten van het Oude Testament. De boodschap klinkt hetzelfde: Wie oren om te horen heeft, die mag in vreugde terugkeren, beladen met de grote oogst en met vrede. Gods Woord keert niet vruchteloos terug, zegt Jesaja. Integendeel, bergen en heuvels zullen juichen en bomen in hun handen klappen. Het lijkt wel een sprookje, zo mooi als de toekomst hier geschetst wordt. De zaaier uit de gelijkenis zaait met dezelfde grootse gebaren. Graankorrels komen op in halmen en dragen vrucht. Het graan dat vermalen kan worden tot brood om hongerige monden te voeden. Opnieuw klinkt hier de oproep om te horen, om te luisteren naar de belofte van een toekomst voor iedereen.

Dit verhaal, dat ook wel de gelijkenis van de goede aarde wordt genoemd, werd door Jezus verteld aan een grote mensenmassa om hem heen. Mensen van allerlei slag, huidskleur en geaardheid die met open mond staan te luisteren naar wat Jezus hun voorhoudt. Er is herkenning, ze kennen het ploeteren met onkruid, onvruchtbare grond of vogels die komen pikken van de zaadjes. Dit was het dagelijkse bestaan van de boeren van hard werken op stenige akkers, in een klimaat van natte winters en hete, droge zomers. Waardoor alleen planten die diepgeworteld waren, voldoende vocht konden vasthouden om een oogst op te leveren. In het Oude Testament wordt het stevig geworteld zijn vaak gebruikt als voorbeeld van kracht en standvastigheid in het geloof. Jeremia zegt: Gezegend is de man die op de Heer vertrouwt, hij zal zijn als een boom, aan het water geplant, die zijn wortels tot aan een beek uitslaat, en het niet merkt als er hitte komt; het loof blijft groen, in een jaar van droogte heeft hij geen zorg en blijft hij vrucht dragen. Een ander bekend probleem voor de boeren waren de distels en andere stekelplanten, die de wortels van de gewassen verstikten. Terwijl dit onkruid in tijden van droogte weer uitstekende brandstof opleverde. De oude, oosterse mens was, meer dan wij ons als moderne, westerse mensen kunnen indenken, er diep van overtuigd dat zaaien en oogsten een wonder uit de hand van God is. Met deze gelijkenis laat Jezus zien God en mens allebei deel uitmaken van de werkelijkheid van het Koninkrijk. Deze gelijkenis van de zaaier kan ons Gods bedoeling met de wereld laten zien.

Daarom beschrijft Jezus geen typische boer, hij zaait niet heel zorgvuldig daar waar de beste grond ligt, maar met brede gebaren. Overal waar het zaad maar terecht wil komen. Deze zaaier houdt al bij het zaaien rekening met de rotsen, de vogels en de distels. Tegenslag hoort bij het leven, en desondanks is er zaad dat zal ontkiemen en tot bloei komen voor de oogst. Dit is een reden waarom deze gelijkenis door veel commentaren de gelijkenis van de soorten grond genoemd. Waarbij in de uitleg de mensheid in verschillende groepen grond te verdelen is, qua karakter en levensinstelling. In de traditionele uitleg van de gelijkenis lijkt elke plant er alleen voor te staan op zijn eigen stukje grond.

Een moderne ecologische blik kijkt anders naar de natuur: planten groeien bijna nooit alleen. Onder de grond bevindt zich een complex netwerk van wortels en schimmels (het mycorrhizanetwerk) waarmee bomen en planten voedingsstoffen en waarschuwingen met elkaar delen. Ik heb er ooit een documentaire over gezien, en was diep onder de indruk. Dit te weten veranderde veel in mijn kennis van bomen en planten. En nu ook in de uitleg van deze gelijkenis. Een mens hoeft diepe tegenslagen, als de alles verschroeiende zon of de verstikkende doornen, niet in zijn eentje te overleven. Wanneer we met elkaar verbonden zijn, herinneren we elkaar aan het zaad vol levenskracht, op momenten dat we het zelf even niet meer zien. Juist in onze kwetsbaarheid, door onze wortels met elkaar te vervlechten, ontstaat een netwerk dat bestand is tegen de droogte en de doornen van het leven. Daarom zou ik het wel de gelijkenis van de veerkracht willen noemen.

Veerkracht is geen individuele prestatie, maar een organisch proces dat ontstaat dankzij de verbinding met elkaar. Ook onze individuele veerkracht wortelt in de gemeenschap. Wanneer de zon voor de één te hard brandt of de zorgen te groot worden, kunnen we steun putten uit het wortelnetwerk van de mensen om ons heen. Verbondenheid is de buffer die voorkomt dat we definitief verdorren. Veerkracht is een gedeelde grond: het heeft iets te maken met de relatie tussen mensen onderling en met de grond waarop wij leven.

De grond waarop wij leven kan je letterlijk opvatten, en dan zou ik een preek kunnen maken over onze taak als rentmeester van de aarde. Die kant wil ik vandaag niet opgaan. Ik vraag me af wat het aan betekenis toevoegt wanneer we deze gelijkenis bekijken met de bril van God als de ‘Grond van ons bestaan’. Dit is een beeld bedacht door de Duits-Amerikaanse theoloog Paul Tillich. Hij verving het klassieke beeld van God als een ‘persoon op een wolk’ door het concept van God als de Ground of Being.

Als God de grond zelf is, dan is het goddelijke niet iets dat van buitenaf op ons neerdaalt, maar de diepste, dragende realiteit onder ons bestaan. Daarin ontkiemt het zaad dat onophoudelijk gezaaid wordt, onze veerkracht, juist wanneer de uiterlijke omstandigheden (de schroeiende zon) zwaar zijn. Dan mogen wij leven in het existentiële vertrouwen dat het leven ten diepste goed en zinvol is, zelfs als het pijn doet. Dit beeld sluit voor mij mooi aan bij het eerdergenoemde beeld van het wortelnetwerk onder de grond. We zijn geen losse individuen die toevallig naast elkaar op een akker staan. Als één deel van het web lijdt, trilt het hele web mee.

Vanmorgen wil ik proberen om de gelijkenis niet langer te begrijpen als een verhaal over God die van bovenaf ‘zaadjes’ (dogma’s of wetten) naar beneden gooit, en om in plaats daarvan naar de diepte van de grond zelf te kijken. Dat levert wel een ingewikkelde paradox op, want dan is God zowel de zaaier, als de akker. Wanneer wij, in navolging van Tillich, God kunnen zien als de dragende realiteit ónder alles wat bestaat, moeten wij onszelf gaan afvragen: waar komt dan onze levenskracht of veerkracht vandaan? Volgens Tillich kan die opeens zichtbaar worden door een ervaring van liefde, schoonheid, waarheid of ultieme betrokkenheid. De moderne mens raakt zo makkelijk vervreemd van zijn eigen grond, en leeft liever aan de oppervlakte. Veerkracht is niet iets wat je zelf uit je tenen moet halen. Want ieder mens, of je nu in God gelooft of niet, is ergens door gegrepen. Wat voor jou de allerhoogste waarde heeft en waar je alles voor over hebt, is jouw bron van kracht en moed, is het zaad in jouw leven.

De vier grondsoorten uit de gelijkenis laten ons zien hoe wij ons verhouden tot de Grond van ons bestaan: Langs de weg, oppervlakkigheid, op steenachtige grond, angst voor de diepte, tussen de doornen, existentiële vervreemding, en tenslotte in goede aarde, moed om te zijn.  Een moedig mens staat in direct contact met de Grond van het bestaan en durft te wortelen in de diepte van het leven zelf. In vertrouwen, omdat je gedragen wordt, dwars door twijfel en crisis heen, en omdat onze wortels met elkaar verbonden zijn.

Ja, er is angst, en er hoeft geen haat te zijn. Ja, er is isolement, en er hoeft geen eenzaamheid te zijn. Ja, er wordt gehamsterd, en er hoeft geen gierigheid te zijn. Ja, er is ziekte, en de ziel hoeft niet te lijden. Ja, er is zelfs dood, en er kan altijd een wedergeboorte van liefde zijn. Word je bewust van de keuzes die je maakt voor je leven nu. Hoor, achter de geluiden van je paniek zijn de vogels weer aan het zingen, klaart de hemel op, is de lente in zicht. En altijd worden we omringd door Liefde. Open de ramen van je ziel.

Amen.

Back To Top
Search