Lieve mensen,
Stel je eens voor: je staat voor een blinde muur waar je met geen mogelijkheid doorheen kan kijken. Er is iemand die zegt: ‘zal ik op je schouders klimmen, dan kan ik over die muur heen kijken? Zal ik je dan beschrijven wat ik zie?’
Of je dit aanbod aanneemt, hangt helemaal af van in hoeverre je die ander vertrouwt. Was hij of zij op andere momenten ook betrouwbaar? Was die ander eerlijk? Ga je wat die ander beschrijft geloven, voor waar aannemen? Wanneer kan je de regie loslaten en erop vertrouwen dat iemand je opvangt?
Vertrouwen heeft in het Oude Testament meestal te maken met de keuze om niet te steunen op onbetrouwbare personen of dingen en om alleen op God te rekenen. Vertrouwen en geloven zijn ook letterlijk nauw met elkaar verbonden. Het Hebreeuwse woord ‘aman’ kan zowel ‘vertrouwen’ als ‘geloven’ betekenen.
Veertig jaar is het volk Israël, soms met een wankelend vertrouwen in de leiding van Mozes, onderweg geweest naar het land dat God hen beloofd heeft. Met dat land letterlijk in zicht komt er een einde aan Mozes’ leiderschap. Mozes zal zijn volk los moeten laten, evenals zijn droom om het Beloofde Land binnen te gaan. Hij beseft dat, na zijn dood, het volk niet verder kan trekken zonder gids en aanvoerder. Gelukkig staat die opvolger al in de coulissen: Jozua, de zoon van Nun. De vraag waarom Mozes zijn taak niet mag afmaken en hij in het zicht van het beloofde land zal sterven, heeft door de eeuwen heen veel wetgeleerden en theologen beziggehouden.
Veel christelijke theologen benadrukken dat het de straf van God is dat Mozes het beloofde land niet in zal gaan, omdat Mozes en zijn broer de priester Aäron in het verleden niet precies gedaan hebben wat God hen gevraagd had. Het volk had dorst midden in de woestijn. Het water was op en mensen begonnen natuurlijk te klagen. God zegt tegen Mozes: ‘Ik zal water geven. Zeg dat maar tegen de mensen.’ Mozes is boos en moe en hij is het gezeur zat en zegt tegen zijn volk: ‘Jullie willen water? Nou, dan zullen wij jullie water geven.’ En hij slaat twee keer met zijn staf op de rots waardoor het water begint te stromen. Hiermee zou hij God tekort gedaan hebben, omdat het eerder op een toverkunst van Mozes lijkt, dan op een teken van God.
Een Joodse uitleg gaat als volgt: Toen Mozes hoorde dat hij het land niet mocht binnengaan, bad hij tot God. Niet één keer, maar vijfhonderdvijftien keer. Mozes zei: “Meester van de wereld, laat mij het land binnengaan, al is het maar als een gewone man. Niet als leider, niet als profeet, zelfs als vogel, als dier, als grasspriet.”
God antwoordde: “Als Ik je gebed verhoor, zal Ik de orde van de wereld moeten veranderen. Jij hebt de Torah gegeven aan Israël. Jouw plaats is aan deze kant van de Jordaan.”
Toen zei Mozes: “Laat Jozua dan binnengaan, en laat mij zíjn leerling zijn.”
Maar God antwoordde: “Als jij leeft, kan Jozua niet volledig leiden. En als Jozua moet leiden, moet jij loslaten.” Daarom sterft Mozes buiten het land, niet als straf, maar omdat zijn taak voltooid is.
Ik vind het bijzonder hoe Mozes zich zonder morren bij de situatie neerlegt en juist aan God vraagt om iemand anders aan te stellen die het volk kan leiden. Want hoe moeilijk valt het ons niet om los te laten, om erop te vertrouwen dat het goedkomt, ook als jij niet meer de touwtjes in handen hebt, of, zoals Mozes, er zelfs niet meer zal zijn. Iets waar je lang van gedroomd wel voor je kunnen zien maar niet kunnen bereiken is een hele opgave.
Ik vind het niet altijd makkelijk om dingen los te laten. Mijn volwassen kinderen hoeven niet meer zo bemoederd te worden en toch heb ik de neiging om hen voor van alles en nog wat te behoeden. Misschien dat het helpend is om loslaten op te vatten als toevertrouwen. Mozes vertrouwde zijn volk aan God toe en aan Jozua als hun leider in het Beloofde Land. Als moeder leer ik te geloven dat mijn kinderen hun leven zelf kunnen leiden en dat er een groot draagvlak om hen heen is ontstaan waar zij op kunnen leunen.
Johannes overtuigt ons in zijn evangelie dat geloven te maken heeft met vertrouwen op Gods goedheid en Zijn beloften. Net als in het Hebreeuws kan het Griekse woord voor ‘vertrouwen’ ook ‘geloven’ betekenen. Een mooi beeld voor dat geloofsvertrouwen is de herder en zijn schapen. Johannes wijdt een heel hoofdstuk aan dit thema. De goede herder om de schapen te leiden is degene die ervoor zorgt dat niemand hen uit zijn hand zal roven. De schapen zijn aan deze herder toevertrouwd, en volgen zijn stem. Die belooft geen controle, juist nabijheid. Deze herder zegt: jij hoeft jezelf niet vast te houden, want je wordt al gedragen. Niet door één mens, niet door één leider, maar door een verbondenheid die dieper reikt dan angst, die sterker is dan verlies. God verbindt de mensen aan elkaar en laat hen niet uit zijn handen vallen. Hoe zou dat zijn om met zo’n zekerheid te kunnen leven? Ik word gezien, ook als ik verdwaal, of als ik breek, of val.
Lang niet alle mensen die de herder, die Jezus was, hoorden spreken, konden erin geloven.
Er ontstond al snel weerstand tegen de lessen die Jezus leerde in de tempel. Er was verwarring en discussie onder zijn toehoorders over wie Jezus eigenlijk was, waar kwam hij vandaan, met welk gezag sprak hij? Sommige mensen geloofden dat hij de beloofde Messias is, anderen dat Jezus bezeten was door demonen, of erger nog een godslasteraar die gedood moest worden. De mensen wilden in duidelijke bewoordingen horen wie hij was en met welk gezag hij hen aansprak. Zij hoorden wel zijn antwoord, maar begrepen het niet. Zij konden niet de schapen zijn, die zijn stem volgden. Deze discussie tussen gelovigen en ongelovigen speelt eigenlijk nog steeds.
De grote vraag is, denk ik: welke zekerheden, welke dromen, welke verdiensten durf je los te laten om te ontdekken dat je gedragen wordt door iets groters, dat van buiten komt? Iets dat ruimte schept en leven creëert, iets dat wij soms God willen noemen. Hoe alleen kan je je voelen, tijdens je eigen uittocht, uit je geboorteplek, je positie, je woede, je pijn, jouw eigen woestijn? Wanneer het uitzicht dat je steeds lonkte bereikt is en je niet verder kan, wat doet dat met je?
En dan nog de vraag, zeker in het huidige tijdsgewricht, aan welke stem, welke herder hechten wij het meest geloof? Hoe leren we de stem van de goede herder onderscheiden tussen alle andere stemmen die om onze aandacht vragen, en soms ook namens God zeggen te spreken? De stemmen die we kunnen volgen zijn legio, hoe onderscheiden we die? Moeten we degenen geloven die hameren op een vastomlijnd geloof, met duidelijke dogma’s, of mensen die ons een hogere staat van bewustzijn beloven? Wij zijn als vrijzinnige gemeenschap gewend om elkaar veel ruimte te laten in de verwoording van ons geloof. En toch, wat zoeken wíj, als bevestiging van ons bestaan? Zoeken we een stem vol zekerheid, of één vol troost en mededogen?Met vertrouwde woorden of een geheel nieuwe klank?
Soms ervaren we dat we voor die blinde muur staan en dat we iemand moeten vinden die op onze schouders wil klimmen om verslag te doen wat er aan de andere kant is. Wat hebben we nodig om iemand te vragen om voor ons te kijken? Wanneer durven we te vertrouwen op wat ons verteld wordt? Het is zo belangrijk om om hulp te kunnen vragen, dat we het ik-kan-het-zelf wel loslaten. Om zo te ontdekken wat er in die ontstane ruimte kan gebeuren.
Er is het verhaal van een oude indiaan die elke avond bij het vuur met zijn kleinzoon praatte over het leven.Op een avond vertelde hij het verhaal over de strijd die zich binnen ieder mens afspeelt. ‘Jongen’, zei hij, ‘die strijd gaat over twee wolven. De eerste wolf heet Kwaad. En dat beslaat alles dat gaat over angst, woede, afgunst, jaloezie, hebzucht, wrok, leugens, valse trots. Deze wolf leeft in ieder mens, hem proberen te negeren heeft geen zin. En blijven zal hij ook altijd, hij hoort bij het leven.’
De indiaan wachtte even en vervolgde zijn verhaal. ‘De andere wolf heet Goed. En die wolf staat voor vreugde, vrede, hoop, liefde, saamhorigheid, trouw, compassie, vriendelijkheid en geloof. Ook deze wolf leeft in ieder mens, al is het soms moeilijk om hem te vinden. En blijven zal hij altijd, hij hoort bij het leven.’
De kleinzoon dacht even na en vroeg: ‘Grootvader, als beide wolven bestaan, en altijd in strijd zijn met elkaar, welke wolf wint dan uiteindelijk?’
De oude indiaan antwoordde: ‘De wolf die jij voedt’.
Uiteindelijk komt het op onszelf aan, welke wolf voeden wij? Aan wie vertrouwen we onszelf toe? Wij hoeven in ieder geval niet te kiezen tussen de stem van Mozes, die ons leert los te laten, en de stem van de goede herder, die leert dat wij niet weg geroofd zullen worden. Die twee stemmen komen samen in ons geloof. Zij geven ons geen belofte van controle, wel die van nabijheid. Een belofte van verbondenheid die dieper reikt dan angst, sterker is dan verlies, en groter is dan wijzelf. Die geeft ons de kracht om te leven tussen afscheid en vertrouwen, tussen eindigheid en hoop. Zo leren wij te gaan wanneer het onze tijd is en te vertrouwen dat wat wij liefhebben niet verloren gaat.
Oogst volgt ons verdwijnen op.
Ons woord vindt een nieuwe mond.
Dan krijgen wij een kus van thuis,
Onze laatste uittocht onze intocht.
Amen.



